Bang

Bang om mij te hechten. Bang om contact te maken. Bang om gekwetst te worden.

Ik ben bang voor mijn zus, bang voor mijn broer. Ik ben bang dat ze mij nog een keer in de steek laten. Daarom ben ik bang om ze te vertellen van mijn en Judith’s aanstaande kindje. Ik zou willen dat het anders was, dat ik trots en blij kon zijn naar hen toe, maar de enige gedachten die door mij heen gaan zijn: "het zal je wel niet zoveel kunnen schelen, maar Judith is zwanger." Ik weet dat ze blij zullen zijn, dat ze niet zullen begrijpen waarom ik ze niet vertrouw, en daarin schuilt ook een deel van mijn angst. Ze weten niet hoezeer ze mij hebben gekwetst. En dat frustreert mij ontzettend. Ze weten niet hoeveel pijn ik heb gehad in het jaar dat ik ze niet heb gesproken. Hoe zeer ik het nodig had dat ze mij te woord stonden, dat ze zaken uitpraatten, dat ze zich over hun woede naar Judith heen zetten zodat ze er voor mij konden zijn. Maar dat deden ze niet, ze bleven in hun boosheid hangen en hebben niet alleen Judith maar ook mij daarin gekwetst, weggezet, genegeerd.
En dat ze die fouten maken, dat is tot daaraan toe, maar ze tonen er ook geen spijt in, ze zeggen niet ‘het spijt me, ik had het niet moeten doen, ik was fout’. Nee, ze zeggen: ‘ik heb geen fouten gemaakt dus is er geen reden voor excuses.’ Mijn moeder vindt dat ik ze moet vergeven, maar hoe kun je iemand iets vergeven waarvoor hij of zij geen verantwoordelijkheid voelt? Hoe kan je iemand vergeven die weigert om excuses aan te bieden? Waarom moet ik hier de grote broer zijn? Waarom kunnen ze niet inzien dat zíj het zijn geweest die mijn vertrouwen beschaamd hebben, dat zij het zijn geweest die hebben bewezen waar ze staan als ik ze nodig heb, dat zij het zijn die ik niet mijn geluk gun, aangezien ze tijdens mijn ongeluk zich angstvallig zwijgend op de achtergrond hielden en uit boosheid weigerden hun trots opzij te zetten? Ik kan niet groot zijn, ik ben klein in mijn angst om weer gekwetst te worden, weer een speelbal van hun woede te zijn, weer in de steek gelaten te worden. Ik ben bang mij aan hen te binden, aan mijn zus, mijn broer, mijn neefjes, mijn jonge nichtje. Ik ben bang mij te hechten omdat ik ze misschien wel weer anderhalf jaar niet zal zien, of een jaar vergeefs zal smeken om het gesprek met mij en Judith aan te gaan. Ik ben zo bang dat zij weer boos zijn om niets en mij om die reden zullen kwetsen. Mijn vertrouwen zullen beschamen. Ik ben bang ze te vertrouwen.