Machteloosheid

Machteloosheid is langs de zijlijn staan, niets of weinig kunnen doen, en het is een rotgevoel.

MunchdespairIk denk dat het een natuurlijke reactie is op machteloosheid om zoveel mogelijk grip op de situatie te krijgen, door jezelf daden te stellen, jezelf gerust te stellen, maar ook om zo min mogelijk toe te geven dat je daadwerkelijk machteloos bent. En daar zit hem de kneep, want in sommige situaties bén je ook machteloos. Tijdens de periode dat Judith ziek was, was het machteloosheid troef. Eerst zat er een knobbeltje in haar borst, dat langzaam groter en bedreigend werd, en mijn reactie toen was het in eerste instantie weg te redeneren: het zal toch niet zo zijn? Mijn tweede reactie was: het knobbeltje wordt weggehaald, en na de nabehandelingen zal alles weer bij het oude komen. Ik hield me in alle onzekerheid vast aan de zekerheid die de medische wetenschap bood.
Mijn volgende reactie op de machteloosheid was om voor Judith te zorgen. Door boodschappen voor haar te halen, door haar kots tijdens de chemo op te ruimen, door te zorgen dat er lekkere dingetjes in huis waren, door het huis schoon te maken, door te koken, door te werken zodat ik mijn baan niet kwijtraakte, door haar te troosten, te knuffelen wanneer dat nodig was. In feite door mij volledig ten dienste te stellen van Judith. Ik raakte daar mezelf een beetje in kwijt, maar ik had wel de zekerheden om mijzelf op de been te houden: als ik dit doe, wordt het in ieder geval niet erger.
Maar op bepaalde manieren werd het wel erger. Want Judith maakte hierin haar eigen proces door, eerst van gelatenheid, daarna van zich erin verdiepen, van woede naar verdriet en terug, en van het zoeken naar haar eigen houvast. En daarin uitte ze een hoop van haar onzekerheden, wat goed was, en noodzakelijk, maar voor mij niet makkelijk. Mijn reactie op onzekerheden van anderen, is het (proberen te) bieden van zekerheden. Maar in het geval van kanker in je leven, of erger nog: de mogelijkheid van kanker in je leven, ís er geen zekerheid. En op dat gebied was ik dus machteloos.

En bij tijden gewoon boos, razend, furieus op de situatie. Waarom moest die kanker ons leven bederven? Waarom gingen dingen niet zoals wij ze wensten? Waarom kon er niet gewoon een pil gegeven worden waarmee de kanker definitief de deur gewezen werd? Waarom moest het zo’n lang, slepend proces zijn? Waarom kon er niet gewoon zekerheid worden geboden? En waarom had niets van wat ik deed het resultaat dat de zaken beter werden? Waarom had ik geen grip op de situatie?

Er zijn tijden geweest dat ik bij Judith weg wilde. In de zomer van 2005 gaf ze ook heel bewust aan: ik wil niet dat jij ongelukkig wordt van mijn ziekte. Ik wil dat jij gelukkig bent, en dat kun jij niet zijn als je bij mij blijft. Ga weg. Maak het uit. Zoek een nieuwe vriendin die niet ziek is, die je de rust en de vrede kan geven die ik je niet kan bieden.

Ik ging daar niet op in, maar ging wel twijfelen. Hoe zou het zijn om weg te zijn bij Judith? Hoe zou het zijn om een nieuwe vriendin te hebben, die niet ziek was. In een gesprek met mijn therapeut sprak ik die twijfels uit, en hij legde de juiste link, die ogenblikkelijk het juiste besef in mij deed ontstaan: ik wil niet weg bij Judith, ik wil weg bij de kanker! En dat is een volkomen terecht gevoel. Natuurlijk wil ik weg bij de kanker, wil ik af van alle ellende die de kanker heeft veroorzaakt. Maar ik wil niet weg bij Judith.

Nu ik ingestort ben, word ik mij steeds meer bewust van de processen die ik de afgelopen jaren heb ondergaan, en één proces wat ik altijd heb willen ontkennen is die van de boosheid, de woede. Terwijl er wel een hele hoop woede gaande was. Omdat ik die woede onderdrukte, herkende ik de woede niet, en omdat ik de woede niet herkende, deed ik er niets mee en kwam die er uit in chagrijnigheid, geprikkeldheid, stress, spanning. Ik weet nog dat ik lange tijd ’s ochtends enorm geprikkeld was. Fietsend door Leiden ergerde ik mij aan mijn medeweggebruikers, reizend naar mijn werk ergerde ik mij aan de sloomheid van mijn collega’s of mijn I/D-medewerker, en zat ik mij enorm op te vreten over wat er allemaal misging op mijn werk ondanks mijn inzet. ‘Wie er voor mijn voeten loopt, die krijgt een trap.’

FrustrationMaar waar ik mij heel veel aan ergerde was Judith, en godzijdank ben ik er nu achter waarom ik boos op haar was, want ik wilde dit absoluut niet toegeven. Zij was toch nergens schuldig aan? Zij kon er toch niets aan doen dat ze ziek werd? Zij was toch niet de schuldige aan alle misstanden in het ziekenhuis en op haar werk? Nee, dat was ze ook niet, maar ze klaagde er wel over, soms met enorm veel emotie. Ik ben altijd zeer introvert geweest. Het uiten van boosheid is mij nooit goed afgegaan. En ik heb altijd grote moeite gehad met mensen die dat wel konden en deden. Dat wekte allergieën op bij mij, en de daarbij gepaarde defensiemechanismen. En vandaag, tijdens het sporten in de sportschool, viel het kwartje. Ik was boos op Judith omdat zij klaagde over alle tegenslag, en zij was daarmee de spreekbuis van mijn machteloosheid. Zij gaf uitdrukking aan mijn machteloosheid, en in zekere zin rakelde zij dat gevoel daarmee op. Onbedoeld uiteraard, zij was zelf gefrustreerd.Het niet herkennen van dit mechanisme was op zichzelf ook weer frustrerend. Want ik wílde niet boos zijn op Judith, maar was het wel. Ik vond dat ik geen reden had, geen recht, om boos op haar te zijn. En precies bekeken had ik dat ook niet, niet om de reden die ik dacht dat ik had. Zij was het symbool voor mijn machteloosheid, en dit inzicht biedt mij de mogelijkheid om de volgende stap te maken. Accepteren dat er situaties zijn waarin je machteloos staat, en het enige dat je daarin kan doen is de machteloosheid te erkennen, en tegelijkertijd alles doen om je machteloosheid te verkleinen. Misschien niet door de kanker weg te halen, maar wel om alle randvoorwaarden te verzorgen om hier zo goed en kwaad als het gaat doorheen te komen. En je gevoelens ten opzichte van deze machteloosheid te herkennen en te erkennen. Ze bestaan, en ze zijn niet slecht of goed. Ze zijn van jou en horen bij jou.